Vanwaar ben je?

Een schijnbaar onschadelijke vraag. Eentje die moet onderstrepen wat pre-vraagstelling al vaststond. Dat ik niet van hier ben.


‘Vanwaar ben je?’


Ze herhaalt haar vraag. Ik had gedaan alsof ik het niet hoorde. We staan op het perron. De trein heeft vertraging, het startpunt van een babbel met deze onbekende vrouw.


Ik antwoord: 'Van Mechelen.' En voeg daar snel: 'Geboren en getogen!' aan toe. Ik antwoord met trots, want dat hoort bij de liefde die ik voor mijn stad voel. Voor de stad die ik beschouw als mijn thuis.


‘Nee’, lacht ze. ‘Vanwaar ben je echt?’


Ik herhaal mijn antwoord. Plak er vlug een wedervraag achter: ‘Vanwaar ben jij?’


Aha, daar heeft ze vast niets op terug. Schaakmat. Mijn meesterlijke zet laat haar echter onberoerd. Ze zet door. Ik voel een verpletterende verplichting om te antwoorden. Ik slik mijn irritatie weg en zet een glimlach op. Boze bruine vrouw mag nu niet naar boven komen.


De vraag wordt herhaald terwijl ze ostentatief over haar wang wrijft. Ik ben bruin en dat vereist context. Waar ik ben geboren speelt geen enkele rol. Er volgt een ongemakkelijk gesprek waarin ik vertel dat mijn mama wit is en mijn papa zwart. Dat ongemak, daar heb ik alleen last van. De onbekende vrouw is schijnbaar in haar nopjes. Haar ogen schitteren wanneer ze begint aan het verhaal over die ene (en waarschijnlijk enige) andere zwarte man die ze kent. Hij komt uit hetzelfde land als mijn papa. Die moeten elkaar toch kennen. Dat ze beiden uit een land komen zo groot als West-Europa en niet uit - pakweg - Poepkappelle wordt buiten beschouwing gehouden. Ze moeten elkaar toch kennen. Dat moet.


Beeld je het omgekeerde eens in. Dat ik jou die vraag stel. Dat ik van jou het antwoord eis dat strookt met mijn verwachting. Dat ik met je eerste antwoord duidelijk ontevreden ben. Ze zal het wel niet snappen. Want ja, het gebeurt wel eens dat ‘ze’ het niet snappen. Ik herhaal: ‘Vanwaar ben je?’ Ik vertraag mijn spreektempo een beetje en articuleer net dat ietsje meer. Om er zeker van te zijn dat ze het snapt. Nu is ze mee, ze snapt het. Ik moet weten waarom ze wit is. Een uitleg is vereist. Ik vraag haar naar de naam van haar vader. ‘Paul’, antwoordt ze. Toevallig ken ik ook een Paul, een Nederlander weliswaar. Maar ook wit, net als haar vader. Het kan toch niet anders dan dat zij elkaar kennen. Dat moet.


De spreekwoordelijke ballen om dat te zeggen, ontbreken. Intussen is de trein aangekomen. Het is druk genoeg om mijn gesprekspartner 'kwijt' te spelen in de drukte. Opgelucht neem ik plaats op de smalle trap naar het bovenste deel van de wagon. Volgende keer pak ik het anders aan, neem ik mezelf voor. Volgende keer.